February 23, 2012    Register
Coone.com
English
Nederlands
Deutsch
You are here :  Genealogy  >>  Griek  >>  Pro Justitia Engel Griek     
Enter Title

Pro Justitia

Extract uit het register der resolutien van het Hoog militair geregtshof

Dinsdag, 23 September 1879

Gelezen een brief van den krijgsraad in het vierde militaire arrondissement, standplaats Haarlem van den 19 dezer, waarbij aan het Hof ter herziening ingezonden wordt, met de daarbij behoorende stukken, het vonnis gewezen in de zaak van

Engel Griek, militair plaatsvervanger bij de 1e compagnie van het korps ponteniers.

Is, na lezing en overweging, besloten dit vonnis te approberen

En zal hetzelve alzoo, met de daarbij behoorende stukken, bij extract dezes, onder geleidende missive, ten fine van executie, aan voornoemde krijgsraad worden teruggezonden.

Accordeert met voorschreven register,

VONNIS

In de zaak van

Geextraheerd bij het Hoog militair Geregtshof

In het register der vonnissen Litt.QQQ Fol 104

Den Auditeur-militair in het vierde militaire arrondissement, standplaats Haarlem, R.O. Eischer.

Gepronuntieerd in den krijgsraad te haarlem en geexecuteerd op 27 Septtember 1879

Op en jegens: Engel Griek, 22 jaar geboren te vlieland, Militair-plaatsvervanger bij de 1ste compagnie van het corps Ponteniers in Garnizoen te Dordrecht.

De auditeur-militair in het vierde militaire arrondissement te haarlem

Beklaagde en gearresteerde

De krijgsraad in het vierde militaire arrondisement, standplaats haarlem, gezien en geexamineerd hebbende de processale stukken, door den eischer r.o. met zijne genomen conclusie onder behoorlijken inventaris overlegd:

Overwegende dat de beklaagde heeft bekend en ook anderszins is gebleken dat hij ingevolge zijn engagement, het rijk in bovengemelde hoedanigheid dient en hem de krijgsartikelen zijn voorgelezen.

Overwegende dat beklaagde heeft opgegeven dat hij in den laten avond van Zaterdag 30 Augustus in den bordeel te Amsterdam kennis heeft gemaakt met getuige Durzorg, met wie hij zich vervolgens naar hare kamer begeven heeft ten einde den nacht bij haar door te brengen; dat hij op die kamer gekomen, aan genoemde vrouw heeft ter hand gesteld twee guldens, voor welk bedrag hij bij haar zou mogen slapen, benevens 13 cent of twee dubbeltjes om daarvoor drank te koopen; dat hij gezien heeft dat getuige Durzorg die twee guldens in haar portemonnaie wegbergde; dat hem bleek dat vrouw Durzorg beschonken was en hij daarom liever maar weg wilde gaan echter niet zonder zijn twee guldens terug ontvangen te hebben. Dat getuige Durzorg hem dat geld niet wilde geven, waarop hij naar de bedaalde portemonnaie is gaan zoeken, en na die gevonden te hebben zich daar mede ijlings verwijderd heeft. Dat hij toen na middernacht was. Dat hem later bleek, dat in de portemonnaie aanwezig waren twee stukjes papier. Die hij niet kan lezen. Een gulden en eenige centen. Dat hij dat hij den volgende middag is aangehouden en toen getracht heeft de portemonnaie verborgen te houden, dat hij echter plan had de portemonnaie aan de eigenares terug te brengen, maar haar woning niet heeft kunnen terug vinden.

Overwegende dat onder eede is verklaard door de getuige Therese Durzorg. Werkster te Amsterdam dat zij op genoemde avond met den beklaagde, die bij haar zou slapen, naar hare kamer gegaan is, waar beklaagde haar dadelijk twee guldens ter hand gesteld heeft, die zij weggeborgen heeft in hare portemonnaie, welke zij daarop in den open sigarenkistje gelegd heeft, dat stond op de tafel in de kamer die zij bewoont. Dat zij vervolgens voor 13 centen drank gehaald heeft, welk geld beklaagde haar daartoe had meegegeven, dat beklaagde na nog eenige ogenblikken op haar kamer vertoefd te hebben en zijn geld terug wilde hebben. Dat zij daartoe haar portemonnaie heeft willen krijgen maar deze nergens heeft kunnen vinden, dat zij onmiddellijk vermoedde dat beklaagde die had weggenomen en dat zij daarom naar de politie wilde gaan, waarop beklaagde, dit haar voornemen bespeurde zich ijlings verwijderd heeft. Dat zich in de portemonnaie bevonden twee guldens, een kwartgulden, een dubbeltje eenige centen benevens twee lombardbriefjes, een van Fl.2 en een van Fl.1 dat zij den volgende dag op ’t bureau van politie terug gezien heeft de bedoelde portemonnaie, waarin de beide beleenbriefjes.

Overwegende dat in het op den ambts eed opgemaakt proces verbaal van Albertus de Vrijs, onbezoldigd rijksveldwachter te amsterdam, dag 11 september is gerelateerd: dat de verbalisant 0p 31 augustus op den straat te Amsterdam de beklaagde aangehouden en hem naar ’t politiebureau overbragt heeft, dat beklaagde, de trap van voornoemd bureau oploopende, blijkbaar, iets in de bont van zijn wapenrok wegstak, en dat dan ook bij fouilleringen bij ’t losknoopen van dien rok een portemonnaie in houdende twee beleenbriefjes op den grond viel.

Overwegende dat door de bekentenis van den beklaagde bevestigd door de verklaring der getuigen en door voornoemd proces-verbaal wettig en overtuigend is bewezen, dat beklaagde in den nacht van 30 op 31 augustus na 12 uur op de woonkamer van getuige in Amsterdam, erglistig weggenomen en zich ten nadeele der getuige toegeeigende heeft een portemonnaie waarin twee beleenbriefjes en eenig geld, welk feit vermist de schuld van den beklaagde door dezelfde bewijsmiddelen regtens is bewezen, op levert diefstal bij nacht in een bewoond huis, strafbaar gesteld bij artikel 386 nr. 1 van het algemeen wetboek van strafregt.

Overwegende dat beklaagde’s opgave dat hij die portemonnaie weggenomen heeft, niet met het doel om zich ten nadele van getuige te verrijken, maar wel aan op die wijze nadat hij wegens den beschonken toestand waarin getuige verkeerden, had afgezien van zijn voornemen om bij haar den nacht door te brengen, de daarvoor vooruitbetaalde twee guldens terug te krijgen den krijgsraad aannemelijk voorkomt, en dat hierin, zowel als inde zeer geringe bekentenis van het door het misdrijf terug gebragt nadeel, in de zeer weinig geestelijke ontwikkeling waarvan de beklaagde blijk heeft gegeven, en in beklaagde’s vroeger niet ongunstig levensgedrag, aanleiding wordt gevonden ons met aanneming van deze verzachtende omstandigheden een geringe straf op te leggen

En ook de vervallen verklaring van den militairen stand niet uit te spreken.

Overwegende dat de geaardheid van den beklaagde den krijgsraad bijzondere aanleiding geeft aan hem de hierin op te leggengevangenisstraf in een zame opsluiting te doen ondergaan. Gelet hebbende op alholgisch zou tot belasting als ook ontlasting van den beklaagde konde strekken, en ter zake dienende was.

Gezien de artikelen 386 nr 1 en 390 van ;t algemeen wetboek van strafregt: wet van 29 Juny 1854 str 102; 1.2.3 Wet van 20 Juny 1851 Str 68, 13 van crimineel wetboek voor ’t krijgsvolk te hande, 130 wet op de Nationale militie, en 105 van de regtspleging bij de landmagt

Regt doende in naam des Koonings.

Verklaart den beklaagde schuldig van Diefstal bij nacht in een bewoond huis gepleegd onder verzachtende omstandigheden,

Veroordeelt hem te  dien zake tot eene cellulaire gevangenisstraf van Drie maanden,

Veroordeelt den beklaagde duidelijk in de kosten en misen van de justitie alsmede in de kosten van den processe, des noods ter taxatie en moderatie van den krijgsraad

Terms Of Use | Privacy Statement